De verhalen achter 'Cast Away', het kunstwerk van Michael Rakowitz.

Date

13 September 2021

Verhalen

Als herdenking aan Operatie Dynamo, nodigde Michael Rakowitz de Belgische bevolking uit om een object te kiezen waar een oorlogsverhaal aan kleeft, en het aan hem te schenken. Zo tracht hij een nieuwe fase toe te laten in het herinneringsproces. De Belgische objecten integreert hij in een nieuw oorlogsmonument dat door de stijgende zeespiegel ooit ook onder water zal liggen. Hiermee spiegelt Rakowitz het Joods ritueel 'Tasjliech' waarbij familieleden stenen of broodkruimels in een oceaan, rivier of andere stroom werpen. Elk voorwerp symboliseert een misstap waarvan de werper afstand wil nemen. Net als bij Tasjliech kan Rakowitz’ project voor de Belgen een moment van reflectie én heling teweegbrengen.

Lees hieronder enkele verhalen.

Cecile Lingier

Object: projectiel/bom

Ik was 7 jaar toen de oorlog uitbrak en heeft die heeft geduurd tot aan mijn 12 jaar. We woonden toen in Bredene.  Mijn mama was van Gent in de Schelstraat en heette Germaine. Mijn papa, Maurice, was van Bredene. We waren met 6 thuis. Mijn moeder werkte niet en bleef thuis en mijn vader had een betonwerkerij en maakte gevormde betonwaren.

Helemaal in het begin van de oorlog zijn wij gebombardeerd door de Engelsen in Bredene. Er werden bommen geworpen in een rij boven onze woning. Wij hebben toen geluk gehad en zijn moeten vluchten naar Mariakerke, Gent. De familie van mijn moeder woonde daar toen. Mijn vader dacht dat dit maar voor enkele dagen ging zijn. Mijn tante, de zus van mijn mama, had al gezegd dat we naar hen moesten komen in Mariakerke omdat het veel te gevaarlijk was aan de kust. Dit hadden we niet direct gedaan omdat mijn vader met zijn betonwerkerij zat. 14 dagen later werden die bommen geworpen en zijn we effectief moeten vluchten met een taxi, mijn moeder wij, de 4 kinderen. Haar familie had toen een café op de hoek van de Brugse Steenweg. Dat was een redelijk groot café, dus wij konden daarboven wonen. We dachten dat dit voor niet lang ging zijn maar de oorlog bleef maar duren. Omdat wij ouder werden en mijn jongste broer begon te lopen vond mijn papa dat het tijd was om iets anders te zoeken om te wonen. We hebben dan iets anders gehuurd en daar zijn we gebleven tot ‘45. 

Ze hadden 7 bommen gesmeten en 1 daarvan is ontploft. Dit was de nacht van 21 op 22 september 1940.  Ons huis had een grote fabrieksschoorsteen en die bom is daarnaast gevallen. Die schouw is omgevallen naar de andere kant dan de schuilkelder waar wij in zaten in de tuin. Moest die schouw naar de andere kant gevallen zijn op onze schuilkelder, waren wij versmacht geweest. Er was ook een bom die onder onze schuilkelder was geschoven onder de grond. Deze is gelukkig niet ontploft. Die dag zijn we vertrokken. Mijn vader kende een voerman en heeft hem gevraagd om ons te helpen verhuizen. Hij is dan de dag erna samen met die camionneur met al ons gerief, een paar bedden en matrassen, achter gekomen. 

Die schuilkelder had mijn vader zelf gebouwd, dat was vroeger een serre die half onder de grond zat. Hij had die serre half afgebroken en dan grote betonnen rioolbuizen gevuld met aarde en daar in geplaatst. Als dak had hij betonnen balken gebruikt. Hij had de ingang zodanig gemaakt dat die niet direct uitkwam op de kelder. Hij wist als er dan iets gebeurd kan er niets rechtstreeks op ons vliegen. De volle deur die hij daar had voor gemaakt, daar had hij geen splinter van teruggevonden na de ontploffing van de bom. Mijn moeder had die betonnen balken bekleedt met krantenpapier omdat de aarde die daarop lag anders in ons ogen viel. De nacht dat die bommen gevallen zijn, dat krantenpapier ging langs flenzen naar beneden. We hebben dat op het moment zelf niet gehoord toen die bommen vielen, omdat wij aan het slapen waren. Ik weet enkel nog dat wij wakker werden en naar mijn vader en moeder riepen: “waar zijn jullie?”. We zagen dat het licht was in de bunker, doordat die deur was weggevlogen. Mijn broer lag nog te slapen in zijn wieg.

Mijn vader wilde niet werken voor de Duitsers toen ze hem opriepen. Als een geluk bij een ongeluk had mijn vader een ongeluk op het werk gehad en is gekwetst geraakt aan zijn rechterarm. Toch zeiden de Belgen tijdens de controle steeds: “je bent goedgekeurd om naar Duitsland te gaan, je kan nog altijd op wacht staan”. Hierna moest hij nog bij de Duitsers op controle, en die zeiden: “neen, afgeschaft’, dus hij is nooit moeten gaan, ook al is hij verschillende keren opgeroepen geweest. 

Eigenlijk heb ik dat allemaal niet beleefd, ik weet dit allemaal door mijn vader en moeder die ons dat vertelden. Ook hoorde ik vaak verhalen van mijn tantes, die een hotel hadden in Bredene. Al het gerief van dat hotel is verhuisd geweest naar waar wij toen woonden in Mariakerke. Potten en pannen, alles werd verhuisd. Twee van mijn vier tantes zijn ook in Mariakerke gebleven tot na de oorlog.  De oudste was mijn ‘meetje’, zij heeft een tijdje bij ons in Mariakerke gewoond. Tegen het einde van de oorlog werden mijn tantes gezocht door de Witte Brigade omdat zij contact hadden met Duitsers in Bredene, die Duitsers bleven in hun hotel logeren. Daardoor bleven ze soms een tijdje bij ons in Mariakerke. Dat hebben wij allemaal niet meegemaakt en daar werd thuis ook nooit over gepraat. 

In Mariakerke gingen wij naar school. Met de bevrijding is daar ook nog een obus gevallen in die school. We zijn ook eens 14 dagen moeten vluchten van Mariakerke naar Drongen omdat de Engelsen binnenvielen. 

Mijn papa deed ook niets, hij kon niets doen in Mariakerke. Dat heeft hem ziek gemaakt. In Mariakerke was hij in contact gekomen met een boer die daar een stukje grond had aan de kerk. Mijn vader bewerkte dat en zaaide daar wat groenten en aardappelen en we moesten dan gaan helpen om aardappelen te gaan rapen. In bredene, achter ons huis, was er ook een stuk grond dat we mochten gebruiken om wat groenten op te kweken. Hij vroeg een boer van in Bredene om daar tarwe of aardappelen op te zaaien. Mijn vader ging altijd over en weer naar Bredene met zijn fiets op de trein en liet de oogst dan overkomen met die vrachtwagenchauffeur waar hij altijd mee werkte, zo hadden wij eten. Hij ging van Bredene naar Oudenburg met de fiets en stak daar zijn fiets op de trein tot in Drongen en daar ging hij eraf. Doordat papa vaak ging kende hij de stationschef in Oudenburg en in Drongen. Het gebeurde soms dat zij zijn fiets van de trein haalde voor hem. Op een dag kwam hij in Oudenburg toe en op het moment dat hij van de trein wilt stappen ziet hij wat commotie op het perron. Er was controle van de Duitsers. In die stations was vaak controle door de Duitsers, controle voor mensen die naar Duitsland moesten om te werken. Gelukkig concentreerden de controleurs zich op één man die wat opstandig aan het doen was. De stationschef had dit gezien en had mijn vader zien fiets al genomen en over de muur gesmeten zodat mijn vader kon vluchten. Moesten ze toen mijn vader gevat hebben hadden ze hem waarschijnlijk ook naar Duitsland gevoerd. Daar heeft hij veel schrik gehad.

Mijn papa had in Bredene ook altijd, al van voor de oorlog, een varkentje dat hij kweekte om eten te hebben. Tijdens de oorlog mocht je dat niet doen. De mensen die achter ons woonden in Bredene, broer en zus, waren oude boeren die gepensioneerd waren. In die stallen kweekte mijn papa dan toch een varken ij het geheim. Dat mocht niet geweten zijn dus iemand die hij kende slachtte dat dan. Zo hebben wij heel de oorlog eten gehad. 

Toen de oorlog gedaan was en we konden terugkeren naar Bredene, kwamen we toe in een enorme puinhoop (zie foto’s). Ons huis lag volledig in puin door dat bombardement. We hadden geen ramen meer.  We konden nog in het voorste deel van het huis wonen. Hier had ook de school eventjes in gezeten tijdens de oorlog, omdat ze geen plaats genoeg meer hadden. Die school had dan alle ramen al wat hersteld. Ook het Rode Kruis heeft even onderdak genomen in ons huis. De achterkant was volledig beschadigd, dat stuk hebben ze uiteindelijk volledig afgebroken. Mijn vader moest wachten op oorlogsschulden om te kunnen herbouwen, maar dat heeft enorm lang geduurd. Daar heeft hij zichzelf ziek in gemaakt. 

Kristof Jacobs

Object: bolhoed

Na mijn roeicarrière bleef ik verder trainer en daarnaast startte ik een opleiding voor trainers. Als militair had ik vele malen les gegeven in discipline en teamgeest en dankzij een vriend trainer, die methodologie had gevolgd in Amerika, stelden we een cursus op voor de roeisport. Via BLOSO bezorgde ik hen een officieel diploma. Door die trainersopleidingen bloeide de roeisport algeheel in kwantiteit en kwaliteit. 

DE SCHEEPSWERF 

Door mijn interesse in de watersport, bevond ik me regelmatig op de werven waar roei- en zeilboten werden gebouwd en hersteld. Een vriend zocht een loods om zijn boot te stallen en vond een werf die niet meer actief was. Hij stelde me voor om daar samen een nieuwe werf te starten. Nu ik geen militair meer was, kwam me dat gunstig uit en begonnen wij er boten te onderhouden. We vaarden er wel bij en konden schoon onze boterham verdienen. Enkele jaren later vroeg hij mij de zaak over te nemen. Ik had wel handen aan mijn lijf maar niet de financiële mogelijkheden en ging om raad bij iemand van de roeiclub. Die man had het geld en was bereid om samen de werf te kopen en verder uit te baten. Maar dat viel in slechte aarde bij de vrouw van mijn eerste compagnon. Wij hadden het niet voor elkaar en ze wilde aldus de werf niet verkopen. We zochten een nieuwe loods en vonden die in een ongebruikt deel van het Franse dochterbedrijf 'Wagon-Lits' die slaaptreinen onderhield en renoveerde. 

 

De directeur, die een Frans sprekende Brusselaar was, had van mij iets vernomen waarvoor hij veel respect toonde. Er was hem verteld dat ik tijdens mijn krijgsgevangenschap eens de zijde van de Walen gekozen had. Op een dag werd in het kamp appel gehouden. De Vlamingen moesten links en de Walen rechts met als doel dat de Vlamingen huiswaarts mochten. Ik had bij de Walen vrienden roeiers en daarbij vond ik dat onrechtvaardig. Ik dacht: zij niet, ik niet. De Vlamingen vertrokken maar stonden na veertien dagen terug. In plaats van naar huis te mogen, werden ze als ordonnans aangeduid in een officierenkamp. Maar dat pikten onze Vlamingen niet en dus terug naar af. Om die stoutmoedige keuze was de directeur me gunstig gezind en kon ik de loods huren. Op die werf stond een oude vervallen schoorsteen en bij stormweer durfde niemand het binnenplein op, vanwege vallende stenen. Verschillende aannemers zagen de herstelling als te riskant en bedankten. Ik beloofde dat persoonlijk te doen en met behulp van de Oostendse brandweer lukte het gevaarlijke werkje. Als beloning konden we de loods zes maanden gratis gebruiken. We noemden de scheepswerf 'Slijkens' afkomstig van de wijk tussen Oostende en Bredene waar mijn compagnon en ikzelf geboren waren. De onderlinge verstandhouding met Wagons Lits was perfect. We riepen dikwijls elkaars hulp in. Toen Wagons Lits steeds meer werk kreeg, wensten ze de loods terug in gebruik te nemen. Na onderhandelingen met de Oostendse burgemeester Julien Goekint en na betaling van een mooie vergoeding vertrokken we naar een vrijgekomen bouw-materialenbedrijf langs het kanaal. Ik kocht er eerst de gebouwen en later de grond. Dit werd mijn derde werf. We schaften een kraan aan waarmee we jachten konden lichten. Met drie werknemers runden we het bedrijf naar behoren. Eind de jaren tachtig kreeg ik hartkwalen en na een operatie besloot ik alles te verkopen. 

 

NABESCHOUWING 

Mijn drie kinderen waren al een hele tijd het huis uit en samen met mijn vrouw vonden we onze stek te Bredene niet toevallig in de Zegelaan. Nu vond ik de tijd om me te verdiepen in literatuur over WO ll. Vooral de figuur van commandant Claser blijft me steeds bijzonder intrigeren. Hij was een voorbeeld voor alle bevelhebbers. Eenmaal het gevecht van man tegenover man ging, hielden velen van zijn graad zich op het achterplan. Hij niet, hij vocht mee. Met hem heb ik kwaaie momenten meegemaakt op Gullegem. Die strijdvaardige man gaf me een zodanige moed en doorzetting en dat heeft ongetwijfeld een grote rol gespeeld in mijn leven. Daarnaast geniet ik van de Oostendse roeiclub waar ik als roeier, later als trainer en thans als erevoorzitter, nog steeds hartelijk welkom ben. Vele opgeslagen beelden en zichten probeer ik met penseel op doek neer te zetten. Maar als ik op mijn leven terug blik, dan blijft er iets op mijn maag liggen waar ik nu niks meer kan aan doen. Het betreft mijn vader. De hele Eerste Wereldoorlog heeft hij op zee gevaren in dienst van het leger. Vele gevaren en risico's moeten doorstaan, heeft er een zware ziekte aan opgelopen en is veel te vroeg gestorven, maar nooit heeft hij en zijn makkers er enige erkentelijkheid voor gekregen. Dat gemis aan respect blijft me moeilijk en stelt me teleur. Daar tegenover staat mijn rechtdoor karakter waarmee ik veel heb kunnen en mogen realiseren. Ik ben er dankbaar voor. Maar dit wil ik zeker aanhalen: Gullegem is voor mij, op die zeer jonge leeftijd van 20-21 jaar met de dood geconfronteerd in onmenselijk omstandigheden, zo cruciaal, zo ingrijpend geweest in mijn ganse leven. Gullegem is zo van mij geworden, het blijft voor altijd aan me kleven 

 

Op deze foto (red.: bovenste foto) ziet u mijn overgrootvader bij de officiële begrafenis van de twee gesneuvelde Canadeese soldaten, die hun leven gaven voor de bevrijding van onze duinen. Sergeant Edgar Rivait (25 jaar) en soldaat Douglas Lyttle (19 jaar) van het Essex Scottish regiment.  

Hierbij ook een foto (red.: onderste foto) van Hendrik Hollevoet zijn bolhoed en medailles zoals te zien op de foto's uit 1945. Daarbij een brief van de gouverneur met dan omdat hij tijdens de oorlog op post bleef.

Anonieme vrouw (90 j.) uit De Panne

Object: kogels

Ik en mijn vrienden waren tussen de 9 en 10 jaar toen de oorlog uitbrak. We hebben een prachtige zorgeloze jeugd gehad. We hadden het gevoel dat alles van ons was, enkel de zee was verboden terrein.  We mochten gratis gaan tennissen op het tennisplein in De Panne en gingen vaak gaan zwemmen ergens dicht bij Frankrijk. Onze favoriete speelplaats waren de duinen in Sint-Idesbald, daar haalden we kattenkwaad uit. 

De jonge Duitse soldaten hadden allemaal veel succes bij de jonge meisjes uit De Panne. Ze amuseerden zich dan in de duinen en struiken. De duinen lagen dus vol met condooms. Wij kenden dat toen nog niet dus dachten dat die condooms ballonnen van de Engelsen waren en bliezen die terug op. 

Er waren nog geen riolen in Sint-Idesbald waardoor iedere lente het grondwater omhoog kwam in de dallen van de duinen. Deze zaten vol met kikkervisjes en salamanders die we vingen in bokalen. Mijn moeder goot die kikkervisjes uiteindelijk altijd weg in het toilet. 

Als de Duitsers weg waren gingen we kogels zoeken in de duinen. We haalden het ontvlambare deel uit de kogels en staken die in brand. Meestal legden we dit op een paaltje of steentje. Toen het buskruit ontplofte en omhoog schoot zochten we dekking achter een duin.

We waren echte ‘stratelopers’.

Kilian De Lust

Object: Leeg kader

Mijn grootvader, Maurits De Lust werd geboren te Wetteren-ten-Ede op 22 maart 1991. Hij groeide op in een gezin van steenbakkers en had 2 zussen en 3 broers. Tijdens de Eerste Wereldoorlog in 1914 verhuisde hij met het hele gezin naar Melle. Op deze leeftijd stelde de dokter een longziekte vast bij mijn grootvader. Zijn tante, die pastoorsmeid in Melle was, ontfermde zich over hem en zorgde ervoor dat mijn grootvader onder andere genoeg voedsel had. 

Door zijn ziekte is hij niet veel naar school kunnen gaan en is op zijn 14 jaar beginnen werken in een pottenbakkerij te Ledeberg gelegen aan de Schelde. Samen met zijn oom en broer stapten ze iedere dag een uurtje naar het werk. Hier leerde hij werken met klei en begon potten te draaien. Hij maakte gretig gebruik van zijn pauzes om zelf wat potjes te leren draaien, hierdoor mocht hij vrij snel plaatsnemen aan de kleine draaitafel in het bedrijf. Na drie jaar vroeg men hem te komen werken in de pottenbakkerij bij Kamiel Van Eyghen in Wetteren. In de jaren 1933 en 1934 begon hij samen met zijn vader en schoonbroer een eigen bedrijf in Heusden. In 1937 nam hij de pottenbakkerij over en bleef samenwerken met zijn schoonbroer. In 1980 hebben ze het bedrijf moeten stopzetten omdat ze niet meer konden ijveren met de snel vernieuwende concurrerende bedrijven die overstapten op machinale productie. 

Op zijn 18 jaar ging hij naar de Academie in Gent. Door zijn grote talent mocht hij direct inspringen in het derde jaar. Ondertussen leerde hij ook boetseren in de beeldhouwklas. In het vijfde jaar was mijn opa de beste van de klas. Na deze opleiding besliste hij toch om geen professioneel kunstenaar te worden en te blijven werken voor zijn bedrijf.  Ondertussen trouwde hij met mijn grootmoeder.

In 1938 voelde iedereen een oorlog aankomen. Hij werd toen voor de eerste keer opgeroepen voor 9 maanden, ook het jaar erna. Op 10 mei 1940, wanneer de oorlog uitbrak, lag mijn grootvader te Paal aan het Albertkanaal bij het 3e linieregiment mitrailleurs. Deze linie kon niet standhouden door de grote macht van de Duitsers en hij werd gevangengenomen. Al de gevangenen moesten marcheren naar Lokeren en stapten daar op de trein naar Walsoorden in Nederland. Ze kregen gedurende drie dagen geen eten en drinken. Hier werden ze ingescheept op drie schepen waarvan het andere schip door een mijn beschadigd raakte en zonk. Honderden Belgische gevangenen verdronken. Na drie dagen kwamen ze aan in Hemmerich waar ze op een wagen vertrokken naar een kamp die tussen Maagdenburg en Berlijn lag. Door de erbarmelijke omstandigheden stierven op één maand tijd 62 gevangen. Op een dag vroegen ze aan mijn grootvader en een vriend van hem welk beroep ze uitoefenden voor de oorlog. Gelukkig zeiden ze dat ze boeren waren. Hierdoor werden ze overgeplaatst naar een voormalig vrouwenklooster in Meiendorf, met een gigantisch stuk land. Hier kregen ze maar één brood per week maar door hun oogsten te ruilen met de Polen konden ze extra brood verkrijgen. Ook hier bleef mijn opa tekenen en beeldhouwen. Zijn tekeningen werden op een dag opgemerkt door Duitse soldaten en gaven hem voedselpakketten in ruil voor zijn tekeningen. Hij deelde dit voedsel met andere gevangenen.  In 1941 mochten de Belgische gevangenen eindelijk naar huis.

(Foto: Maurits De Lust staat uiterst links.)

Josiane Vanhoutte (dochter van Constant Vanhoutte)

Object: medailles

Publicatie uit ‘Meiboompje’. 
Driemaandelijks tijdschrift uitgegeven door de heemkundige kring “DE MEIBOOM” Gullegem
28ste jaargang nr 2 april-mei-juni 2011.

LEVENSVERHAAL VAN CONSTANT VANHOUTTE 

Als sergeant vocht Stan mee tijdens de 18-daagse veldtocht mei 1940 en verdedigde als een van de laatste ons dorp. 

Opgetekend door Hendrik Ghesquiere 

VOORWOORD 

Naar aanleiding van de 70ste herdenking van het begin van de Tweede Wereldoorlog organi-seerde de seniorengroep van de heemkundige kring Wibilinga, met medewerking vanuit onze kring, in mei 2010 een educatief project voor leerlingen van het vijfde en zesde leerjaar van alle Wevelgemse basisscholen. Men trachtte aan de hand van beelden, filmfragmenten en met levende getuigenissen de oorlog te duiden. Per toeval vernamen we dat te Bredene iemand woonde die in mei '40 te Gullegem gevochten had tegen de Duitsers. We besloten een bezoek te brengen en hem uit te nodigen om zijn wedervaren te vertellen. Een rijzige man van negentig jaar verwelkomde ons. Hij was zeer verrast, ontroerd en dankbaar dat op vandaag nog mensen oog hadden voor wat 70 jaar geleden was gebeurd. 

Deze gewezen militair, Constant Vanhoutte, werd op 15 augustus 1919 geboren te Oostende. Op 18-jarige leeftijd schreef hij zich in bij het leger, werd verkenner bij de motocyclisten van het 3de linieregiment en maakte op 23, 24 en 25 mei 1940 de gruwelijke oorlogsdagen mee te Gullegem. Na de oorlog werd hij omwille van zijn heldhaftige inzet tijdens de slag aan de Leie gedecoreerd met oorlogskruis en palm. Hij was bijzonder vereerd om aan de Gullegemse jeugd zijn getuigenis te kunnen brengen. Nadien mochten we zijn levensverhaal vastleggen. We zijn Stan hiervoor heel dankbaar. Tijdens zijn verhaal ondervonden we dat Gullegem hem zo ingrijpend had getekend, dat we de vreselijke oorlogsdagen van mei '40 niet konden loskoppelen uit zijn levensverhaal. Om die reden besloten we dit integraal te publiceren. 

Foto: Stan Vanhoutte, °Oostende 1919 (foto M. Vanneste) 

MIJN JEUGDERVARINGEN 

Mijn grootvader van vaders zijde was knecht op een boerderij te Torhout. Toen de boer stierf, huwde hij, toen net 19 jaar, met de 36-jarige weduwe. Om welke reden, mij niet bekend, verlieten zij de hoeve daar en kwamen wonen te Adinkerke-De Panne. Ze betrokken een kleine hoeve waarop ze vooral 'dunepatatjes' kweekten. Hielden er wat varkens, konijnen en kippen, maar daarnaast gingen ze ook vissen. 

Mijn vader (°1894) groeide daar op en ging vaak als heel jonge snaak mee vissen. Vanaf zijn plechtige communie moest hij mee de zee op. Dat werd zijn leven. Hij hield van de zee en liet zich als matroos inschrijven op een vissersboot te Duinkerke die vooral naar de IJslandse wateren voer. Grootvader hield het bij zijn vissersboot, kwam na heel wat jaren terecht in de Nieuwpoortse vismijn en is er zelfs enkele jaren directeur geweest. 

Ondertussen liet mijn vader zich inschrijven op het Belgische schoolschip L'Avenir, de voor-ganger van de Mercator. Zo belandde hij te Oostende. Na een jaar werd hij matroos op een mailboot, die de oversteek maakte naar Engeland. Het was in die periode dat hij mijn moeder leerde kennen. Zij (°1894) was afkomstig van Gent. Haar vader was hoofdschoolkeurder van hout en was door promotie baas geworden van het sparrendepot te Oostende. Op dat depot kwamen de dennenmasten aan uit de Scandinavische landen. Die masten werden bewerkt tot elektriciteit- en telefoonpalen. Mijn vader huwde in 1913 en al heel snel kwam mijn zus ter wereld. Maar de oorlog brak uit. De mailboten verlieten om veiligheidsredenen Oostende en voeren vanuit Calais of Dieppe naar Engeland. De hele oorlog van '14-'18 heeft hij haast dag en nacht gevaren. Engelse soldaten werden naar het vasteland overgebracht en vluchtende burgers en gewonde soldaten naar Engeland. Onophoudelijk op het water, met alle gevaren en in alle weersomstandigheden. Dat was afzien. Hij had er een zware bronchitis opgelopen waaraan hij in 1926 overleed. Die mannen die de hele oorlog gevaren hebben, die dagelijks in dienst stonden van de legers hebben nooit enige vorm van erkentelijkheid genoten. Betreurenswaardig. 

Toen vader terug thuis kwam eind 1918 was hij zo uitgeput en vermoeid. De vechtlust was verdwenen. Ik werd geboren op 15 augustus 1919 en kreeg nog een zus anderhalf jaar later. Toen vader in 1926 stierf, zat moeder daar met drie jonge kinderen. Wat moest ze aanvangen? Met steun en hulp van haar vader begon ze een wasserij. Enkele vrouwen hielpen haar met de was en nadien trok moeder met de hondenkar de stad in om de manden met wasgoed op te halen of terug te brengen naar hotels of rijkelui. Rijk is zij er zeker niet van geworden, maar versleten dat wel. Ze overleed in 1962. Ik herinner mij dat ik voor mijn plechtige communie het gouden zakhorloge van mijn vader kreeg. Moeder verontschuldigde zich dat zij de gouden ketting had moeten verkopen om geld te hebben voor de nodige medicatie van haar zieke man. Toen haar vader op pensioen ging, huurde zij op het Sas te Oostende een huis en haar ouders kwamen inwonen. Ze was nu met haar wasserijtje ook wat dichter bij de stad. 

Na mijn lagere school gelopen te hebben in Oostende, trok ik naar het Atheneum. Na het beëindigen van mijn lager middelbaar verliet ik de school. Ik voelde dat ik thuis moest meehelpen en mijn steentje bijdragen en vond werk op de scheepswerf Beliard, Crichton & Cie (later Beliard-Murdoch). Op aanraden van mijn ploegchef volgde ik avondschool om de techniek van scheepsbouw onder de knie te krijgen. Op die werf kwam ik bij mannen terecht die geen doetjes waren. Stoere binken, die het niet nalieten om met de jonge gasten hun voeten te spelen. Ze hebben me daar doen afzien. Om maar iets te vertellen: ik was nogal groot en struis gebouwd en op zeker moment diende men de kiel voor een nieuw schip te leggen. Dat was een zwaar breed ijzer die in de gepaste vorm gesmeed was. Iedereen van de werf werd bijeen getrommeld om die voet van het schip naar buiten te verplaatsen op de slip waar men het schip zou bouwen. We plaatsten ons aan weerszijden van de kiel en hop op onze schouders. Enkele van die ouderen trokken zich wat in zodat het gewicht zwaarder op mijn schouders kwam. Maar als jonge onstuimige kerel wil je niet plooien. Toen ik thuis kwam en mijn werkpak uittrok was mijn schouder gekneusd en bebloed. Deze ervaringen beschouw ik als temperen van het leven, als vaart maken in het leven. Ze hebben mij verhard en weerspannig gemaakt. 

 

DE MILITAIRE OPLEIDING 

Tijdens mijn vrije tijd begon ik te roeien. Dagelijks zag ik roeiers op de vaart en dat trok me aan. Het roeien was voor mij een ware openbaring. Ik genoot van de mannen van de roeiclub en voelde me bij hen thuis. Enkele van de roeiers hadden zich geëngageerd in het leger. In Oostende bevond zich de kazerne van het 3de linieregiment. Men vertelde mij over hun opleidingen en zo meer en dat liet me niet meer los. Ik dacht er over na. Gezien de hachelijke toestand thuis en het feit dat ik binnenkort toch zou opgeroepen worden om mijn dienstplicht te vervullen, besloot ik om het leger te vervoegen. Zo zou ik iets meer dan 1 frank per dag verdienen, wat toch meer was dan op de werf. Ik was net 18 geworden toen ik op 1 september 1937 de kazerne op het Hazegras te Oostende binnenstapte. Ik werd ingelijfd voor één jaar bij de schoolcompagnie waar ik de opleiding van onderofficier kreeg. Dat was harde training, de instructeurs streng en ongehoorde discipline. Fils à papa's werden niet geduld. De tactie-ken die we werden aangebracht waren jammer ge-noeg geschoeid naar de geest van WO l. De gevechts-techniek was vooral gericht op standhouden en ver-dedigen, nooit aanvallend. Ons leger was in WO II een oorlog te laat. 

Na mijn jaar opleiding kreeg ik de graad van sergeant. Intussen was de voeling van een nieuwe oorlog reëel aan het worden. Op ongebruikelijke momenten werd er alarm geslagen en kregen we opdracht de kazerne te ontruimen en ons in en rond de stad te verschansen in noodkazernes. Een kazerne was en is nog steeds een eerste doelwit van de vijand. Met de mobilisatie van 1939 werden we naar Oelegem (nabij het Albertkanaal) gebracht. Even terug naar Oostende maar begin '40 installeerde het hele 3de linieregiment zich te Hasselt. Onze Etat Major bevond zich op het kasteel Ter Poorten aan de kanaalbrug te Diepenbeek. 

Officieren en onderofficieren werden ingekwartierd bij burgers. In mijn geval was dat bij een goedmoedige politiecommissaris. Daar ontving ik mijn eerste belangrijke opdracht in geval de oorlog uitbrak. Ik kreeg als sergeant van de motocyclisten een aantal soldaten onder mijn verantwoordelijkheid. 

Met twee van hen zou ik een brief moeten ophalen in Mechelen aan de Maas en die naar onze Etat Major brengen. 

Ons regiment bestond uit een compagnie verkenners bestaande uit drie pelotons: twee pelotons cyclisten (24 man) en een peloton motocyclisten (12 man) waarvan ik de onderofficier was. De pelotonoverste was een luitenant die zich liet rijden in een sidecar. Als verkenner moesten we zeer goed op onze goede zijn, heel opmerkzaam en alert. Daar hadden we dagelijks training op gehad, eerst gebeurde dat per fiets en later per moto. Op die manier konden we sneller interventies doen. Als motocyclist moesten we op verkenning gaan en de situatie aan onze meerdere voorleggen. Naast verkenner leverden we ook de achterhoede gevechten. Bij het achteruittrekken diende eerst het voetvolk te vertrekken, nadien de cyclisten en als iedereen op veilige afstand was, mochten de motocyclisten pas de eenheid vervoegen. 

Wij werden aanzien als de mannen van het gevaarlijke werk. 

Eind april, begin mei '40 deed zich een kleine opstand voor onder de soldaten te Hasselt. De soldaten braken uit de kazerne en stelden zich op het Kolonel Dusartplein op. Al roepend en tierend betoogden ze tegen de nakende oorlog. Velen van hen hadden zich lazarus gedronken. De Rijkswacht kwam tussen met blanke sabel. Ik werd ontboden bij commandant Defonseca (rechterhand van onze kolonel Willems). Hij gaf het bevel om mij met mijn peloton naar de gevangenis van Hasselt te begeven, voorzien van oorlogsmunitie. Heel wat opstandelingen werden daar door de Rijkswacht bebloed en geslagen binnengebracht. Uit vrees dat hun makkers hen zouden bevrijden, moesten wij de wacht houden en indien nodig vuren. Dat was een intrieste opdracht, te weten dat je op eigen manschappen zou moeten schieten. Gelukkig gebeurde het niet. De gearresteerden kwamen voor de krijgsraad en werden naar hun eenheid terug gestuurd. En ja, dan is het gebeurd.

Foto: Oostende 1937, pas ingelijfd als kandidaat onderofficier (archief S. Vanhoutte) 

 

DE OORLOG 

Op 10 mei, heel vroeg in de morgen, werd ik door mijn soldaten gewekt met de boodschap dat het oorlog was. Onmiddellijk sprongen wij op onze moto's en reden naar Mechelen aan de Maas. Onderweg zagen we het zilver van de vliegtuigen en hoorden we het geronk. In een - 9 - schuilkelder daar ontvingen we uit handen van een kolonel de bewuste brief en we snorden terug naar Diepenbeek. Aan de brug gekomen constateerden we dat die al was opgeblazen ofschoon we de toelating daarvoor nog op zak hadden. Want dat was de geheime opdracht. 

We stonden daar en konden het Albertkanaal niet meer over. Je merkt dat van coördinatie niet veel in huis kwam. Wat verder lag er een vlot en met mijn ervaring uit de roeisport lukte het ons om onze moto's erop te krijgen. Peddelend geraakten we het kanaal over. We gaven er onze brief af, maar men had er weinig praat over. Veel oversten handelden naar eigen zin en goesting. Wat later kreeg ik bevel van Defonseca dat men zich terug trok en ik met mijn mannen nog een aantal uren ter plaatse moest blijven, zodoende dat de rest zich in veiligheid kon brengen. 

We trokken stelselmatig achteruit. Over Lummen ging het richting Leuven. Toen we er aankwamen stond Leuven in brand. We trokken verder via Kapelle-op-den-Bos en stelden ons op langs de Willebroeksevaart. Op 15 mei lagen we in de omgeving van Dendermonde en twee dagen later via Sint-Niklaas naar Gent. We hielpen mee het bruggenhoofd vormen van de stad. Af en toe slaagden we erin de Duitsers wat terug te dringen tot we op 22 mei overgebracht werden naar de Leie waar we de verdediging tussen Kortrijk en Menen moesten handhaven. 

 

GULLEGEM, DE DOOD VOOR OGEN 

De 23ste mei stelden we ons op achter de spoorweg te Bissegem met als verdedigingsschans een goederentrein. Dat was om doden vragen. Onze militaire oversten beslisten dat wij ons naar Gullegem moesten begeven. Ik herinner me nog heel goed dat er een bericht kwam dat kolonel Willems, die zich in de Etat Major (villa Tuyttens in de Bissegemstraat, n.v.d.r.) bevond, ziek geworden was en dringend begeleid en beschermd moest worden. Hij verliet Gullegem samen met enkele motocyclisten die ik nooit meer heb terug gezien. Laat in de nacht konden we ons wat te slapen leggen in een overvolle vlasschuur tegenover de Generale Staf. In de vroege morgen vielen plots enkele granaatbommen neer op de schuur. Er werd gehuild, getierd en gekermd door de gekwetsten. Enkelen waren op slag dood. Onze facteur van de motocyclisten was een ouder beroepssoldaat die in de Eerste Wereldoorlog had gediend. Spontaan trok hij het lot van die mensen aan en troostte hen. Je merkte en voelde dat hij door zijn vroegere ervaring dit alles al eens had meegemaakt. Wij zelf hadden dergelijke gruwel nog nooit zo nabij beleefd. Wat konden en moesten we doen? Daarbij, we waren plots vol angst en een benauwdheid klemde ons dicht. De vrees dat straks weer bommen zouden vallen, zat diep in ons. Nadien hadden we zo een vertrouwen en bewondering voor onze facteur. Op slag was hij onze 'papa' geworden. Ik was op dat moment nog geen 21 jaar en diende al bevelen te geven. Toen besefte ik hoe jong ik nog maar was. 

De morgen van de 24ste was een drukte en een chaos alom. Van eten was geen sprake en dit al voor de derde dag. Er was geen veldkeuken te bespeuren, geen burgers aan wie we iets te eten of te drinken konden vragen. In de morgen kregen we opdracht ons op te stellen tussen Gullegem en Bissegem. Ik verschanste mij langs een gracht waarvan de oever iets hoger lag met mijn wapen gericht op Bissegem. Vier sterke Duitse divisies hadden de Leie aan beide kanten van Kortrijk overgestoken. We werden hevig beschoten door mitrailleurvuur en bestookt met bommen. We schoten even hard terug. Op een bepaald ogenblik gooide ik me midden op de straat. Adjudant Orlands riep naar een soldaat dat hij mij een zakje zand moest toewerpen want ik lag er zonder enige dekking. De soldaat durfde niet en net op dat moment kreeg hij een granaatscherf in zijn been. Het bloed spatte eruit en hij gierde van de pijn. Ofschoon onze artillerie prachtig werk leverde, was het tevergeefs, we moesten achteruit. Ter hoogte van het kruispunt sloop ik langs een beenhouwerij (gewezen beenhouwerij Corne, naast de toenmalige herberg De Kruisstraat, n.v.d.r.) en zag er iets hangen achter de toonbank. Zonder na te denken sprong ik binnen, graaide dat mee en kauwde het op. Het bleek een stuk uitgedroogde tong te zijn. 

Naar de avond toe trokken we verder Gullegem in en werden door Kolonel Goosdeel tegengehouden. Hij riep ons toe dat het peloton verkenners zich moest ingraven op de hoogte aan de andere kant van het dorp. Met onze moto's reden we 's nachts voorbij de kerk waar zich een enorme krater bevond. Met moeite konden we er omheen. Op de hoogte (omgeving van Bosbolletra, n.v.d.r.) gekomen groeven we ons in en wachtten de morgen af. Terwijl we daar even op adem kwamen, arriveerde Commandant Claser. Aan zijn uitrusting was heel goed te zien dat hij een hoge kop was. Hij was door de Generale Staf van het leger, die zich in de streek van Torhout bevond, gestuurd naar de kwetsbare plaatsen om er de orders van bovenhand te bevelen. Hij wist reeds heel goed dat de Duitsers zich in Gullegem bevonden. In de late morgen zagen we de eerste Duitse verkenners opduiken. Claser, die Frans sprak' beval: Peloton des éclaireurs du trois: 'en avant'! Op een stuk grasland kwamen we bijna onmiddellijk tegenover de vijand te staan. Ongeveer twaalf Duitse verkenners, gekleed in licht uniform, sommige met helm, andere met een muts, zelfs een paar blootshoofds, waren op amper 20 m verwijderd. Samen met Claser vielen we de vijand rechtstaand aan. We schoten, Claser met zijn GP-revolver, wij met elk ons wapentje. Het was op leven en dood. Commandant Claser bevond zich rechts van mij. Ik zag hoe hij door een kogel aan het rechteroor werd geraakt, hoe zijn schone kepie te gronde ging, hoe het bloed sijpelde langs zijn wang op zijn deftig kostuum en hoe hij ongestoord verder schoot. Ik kreeg voor die man een ware achting. De vijand werd verslagen en uitgeroeid. 

Die ingrijpende momenten, dat oog in oog staan, dat moorden, dat vechten voor je eigen lijf zijn nachtmerries geworden jarenlang. Zelfs op de dag van vandaag ben ik er niet vrij van. Verschillende van onze mannen werden ernstig gewond. We trokken terug op onze stelling en brachten onze gekwetsten mee. In het terugtrekken bemerkten we geen enkele Belgische groep meer, tenzij een eenzame adjudant bij zijn artilleriegeschut. Ik stapte erop af. Hij vloekte: "dat die smeerlappen onze kanonnen gaan gebruiken, dat zal niet waar zijn". Samen hebben we de kulassen onbruikbaar gemaakt en onder hevig artillerievuur zochten we de eenheid op. lk was toen reeds dagenlang zonder bevoorrading en amper wat slaap. 

Na die hele heisa trokken we systematisch achteruit tot op Sint-Eloois-Winkel. Commandant Claser keerde terug naar de Generale Staf. Hij loofde onze inzet en had voor ieder soldaat een woord van moed. Zijn woorden tot mij: "on est fière d'avoir des éléments comme toi dans notre armée", herinner ik me nog levendig. In latere geschriften las ik dat hij heel nauw bevriend was met Koning Leopold III. Ze waren jaargenoten geweest op de Koninklijke Militaire School. Voor de regering in Londen was Claser onbetrouwbaar omdat hij te koningsgezind was. Hij zou later, na verklikking, door de Duitsers worden overgebracht naar een concentratiekamp waar hij om het leven kwam.

Foto: Eretekens van moed en zelfopoffering (archief S. Vanhoutte) 

 

 

KRIJGSGEVANGENSCHAP 

Op 26 mei kregen we bevel om ons naar Klerken te begeven. Er was daar verzameling van al diegenen die uit elkaar geslagen waren. Ons 3de linieregiment was op. We arriveerden er op de 27ste. Een van de commandanten van ons regiment noteerde de namen van diegene die zich aanmelden. Daar vernamen we in de morgen van 28 mei dat België gecapituleerd had. We waren intriest, vooral om die jonge mannen die gevallen waren. Maar voor ons was de oorlog gedaan. Enige uren later verschenen Duitsers met hun sidecar. Ik stond met mijn moto langs de weg. Daar stapte een gegradeerde Duitser op mij af. Hij pakte mijn 'jumelle' (verrekijker), die rond mijn nek hing, snakte die af en riep: ,Sie brauchen das nicht mehr' en gaf mij een fikse duw. Ik verloor mijn evenwicht en viel achterover in de gracht met mijn moto boven op mij. In een paar ogenblikken zag mijn voet er blauw en zwart uit. Ik voelde een enorme colère opsteken, maar je kon niets meer doen. Ietwat achter mij was een boerderijtje waarvan de bovendeur van de koestal open stond. Ik nam mijn mitrailletje, een schoon wapentje met een notelaren kolf. Het was mijn trouwe gezel geweest waarmee ik enkele dagen voordien gevochten en geschoten had. Dat zullen ze zeker niet hebben en sloeg het stuk op de halfopen staldeur. Mijn revolver wikkelde ik in een vod, maakte een put bij de deur en stak hem onder de grond. Ik kon en wilde mijn wapens niet in handen geven van de vijand. 

Nu de strijd toch om was, besloten mijn maat en ik er vanonder te muizen. We reden huiswaarts richting Oostende. Ik ontmoette mijn vrouw, haar ouders en ook mijn moeder. Het weerzien was vreugdevol, maar ik stond daar met mijn moto. Mijn schoonvader was ongerust en vreesde bezoek te krijgen van de Duitsers. We verstopten de moto (een Gilette) in de kelder. Maar dat was niet voldoende. De vrouwen waren bang en vreesden dat iedereen opgepakt zou worden. Mijn maat keerde ontgoocheld terug van zijn thuis. Zijn vrouw was op de vlucht en hij had er niemand aangetroffen. Wij besloten ons te Sint-Andries aan te melden. Daar was een algemene verzameling. Men had ons gezegd dat we daar een brief zouden ontvangen met de melding dat we gedemobiliseerd zijn. 's Anderendaags vertrokken we met goede moed per fiets langs de vaart naar Sint-Andries. Aangekomen moesten we onze fiets aan de kant gooien en ons per vier opstellen. Wanneer het peloton voltallig was vertrokken we te voet, zonder eten of drinken. Ontgoocheling, jazeker! In plaats van demobilisatie werden we krijgsgevangenen. De eerste nacht sliepen we op de vloer van een school tussen de banken. De volgende morgen vroeg weer vooruit en maar marcheren. We kwamen aan in het Nederlandse Walsoorden, langs de Westerschelde waar we op lichters geladen werden. Van zodra de schepen vol zaten, voeren we de Schelde op. Na een paar dagen varen hoorden we plots een enorme knal. Het schip voor ons was op een mijn gevaren en bij de 300 krijgsgevangenen kwamen om. Via Hollands Diep en de Rijn kwamen we aan in Wesel (Duitsland). Daar werden we aan land gezet en mochten we overnachten in een natte weide. 's Morgens kregen we enkele broden, voor elk amper een brokje met wat erzatskoffie. Pas in de loop van de volgende dag stopte er een goederentrein. Allen daarop, zonder eten en drinken. Vier dagen en nachten zaten we daar opeen gepakt, zelfs geen ruimte om eens onze benen te strekken. Sporadisch stopte de trein en konden we even afstappen om onze behoefte te doen. We geraakten aan een beetje water aan de tank die water voorzag voor de locomotief. Na een slopende reis arriveerden we in Nürnberg. We werden daar als vee losgelaten en vonden onderdak in tenten met vuil en smerig stro. Daar heb ik nachtmerries gehad. En altijd maar weer diezelfde beelden "Gullegem, Gullegem, dat schieten, dat moorden, de angst". Mijn maat maakte me soms wakker en zei: 'Stan jongen je roept en tiert in je droom'. Onbeschrijflijk! Jaren en jaren lang hebben die gevechten mij getart en gekweld. Het zou zelfs nu nog gebeuren. 

Meer dan een jaar verbleven we in Nürnberg. Dan werden we overgebracht naar Badorf. Het dorpje met een krijgsgevangenkamp lag op een hoogte. We crepeerden van de honger en toen we om eten smeekten, zeiden de Duitsers dat we maar bij de boeren moesten gaan werken. Mijn maat en ik deden dat. We kregen wel wat te eten maar het viel niet mee. Mijn gekneusde voet wou maar niet genezen en zo belandde ik na een tijd in een hospitaal voor krijgsgevangenen. Daar lagen ook Duitse gekwetste vliegeniers. Zij werden natuurlijk goed gevoed en wij mochten de karweien doen en hen bedienen. Soms kon ik mee om voedsel-voorraden op te halen. Wees maar gerust dat ik toen in de camion achteraan mijn best heb gedaan om te graaien. Toen mijn voet wat hersteld was, werd ik overgebracht naar Bad-Sulza, waar een kamp in opbouw was. Alles lag er vol slijk en modder. Van het beloofde kwam niets in huis. Dagelijks werden we dan op commando gestuurd. Dat betekende dat we met een groep krijgsgevangenen op een Duitse werf werden tewerkgesteld. Zo belandde ik op een bouwwerf in Arnstadt (bij Erfurt). Men was er vriendelijk en we kregen wat te eten. Het was goed weer en ik toonde mij van mijn sportieve kant. We moesten bakken beton met een Berlinerke naar boven trekken en kippen. Met een sprong op het deksel kantelde het wagentje. Door mijn grote en sportieve gestalte werd ik voor die klus aangeduid. Het was een goed leventje. Op de vierde dag gebeurde een ongeval. Ik sprong op het deksel maar de zware houten balk boven mij kraakte middendoor. Nog net kon ik deze met mijn schouder afduwen. De balk stortte naar beneden net naast twee Duitsers die beneden aan het werk waren. Men zei me dat ik twee Duitse levens gered had en dat ik ontlast zou worden van de krijgsgevangenschap. Ik weekte daar natuurlijk mijn boontjes op. Maar daar kwam gewoon niets van. Nu had ik echt geen zin meer om nog voor hen te werken. Ik werd naar het kamp gebracht en op de keukendeur merkte ik verrassend een briefje: 'Belgisch krijgsgevangene krijgt 24 lager mark voor het redden van twee Duitsers'. Ik graaide het mee. Maar wat kon je met lager marken doen? Niets, amper een paar scheermesjes en wat zeep kopen. En buiten de kampen waren ze niet van tel. Uit frustratie schreef ik naar mijn moeder, in mijn platte Oostends natuurlijk: 'moeder ieder Duitsman is maar 12.5 lager mark waard'. Daarbij kwam nog dat we soms huiverende opdrachten te vervullen kregen. Ik weet nog pijnlijk goed dat we bevroren Russische gevangenen uit treinen haalden en hen naar een massagraf overbrachten en dat onder aanhoudende bedreiging neergeschoten te worden. Zo iets kruipt diep in je lijf. 

Ik was het daar zat. Samen met een Engels piloot en Albert Lion, een Brusselaar, maakten we plannen om te vluchten. Van een onderofficier van de Ardense Jagers vernamen we hoe we in Luxemburg konden geraken. We bestudeerden onze route zorgvuldig en brachten alles in het geniep klaar. Ik verkocht aan een Duitse wacht mijn lederen vest voor wat Duitse marken. Geraakte aan een burgerbroek. Mijn kaki vest kleurde ik met blauwzwart water die ik bekomen had door zwarte stripbanden, die ik van mappen had afgetrokken, te koken. In de vroege morgen van 2 februari 1942, het was bijtend koud en dik gesneeuwd, riskeerden we onze vlucht. We kropen over de twee rijen prikkeldraad, scheurde nog mijn broek, kropen op onze buik vooruit over de dichtgevroren brede gracht en hoopten dat de wacht op de uitkijkpost ons niet in het vizier kreeg. 

Met het Duits dat ik geleerd had, geraakten we in het station. We vroegen naar het volgende stationnetje. Zo werden we niet verdacht, want wie naar een verafgelegen station vroeg, werd gecontroleerd. In een van die stations zag ik een trein staan vol met Russische gekwetsten. Het bloed liep uit de trein, een vreselijk beeld. We geraakten in Nurnberg, dan naar Kassel en verder naar Trier. Daar verstopten we ons in de kathedraal tot de trein naar Luxemburg was aangekomen. In Luxemburgstad verliet de Engelse piloot ons. Wij twee namen het trammetje naar Longwy en zo de grens met België over. In die omgeving woonden de schoonouders van de Brusselaar. We werden daar warm ontvangen, kregen goed te eten en konden eindelijk eens in een zacht bed slapen. Wat was dat lang geleden. Van zijn schoonmoeder kregen we wat geld om de trein naar Brussel te nemen. We hadden het adres op zak van Baron Nothomb. Zijn zoon was ook in ons kamp geweest en gevlucht. Daar aangekomen maakten we ons kenbaar en vroegen hoe zijn zoon Jean-François het stelde. We werden heel vriendelijk binnengelaten en kregen er van alles te eten. Er was daar niets tekort. De Ardense worst en hesp vonden we zeer lekker. Mijn compagnon verliet me en wenste me een goede thuiskomst. Bij mijn vertrek naar Oostende stak de baron voldoende geld in mijn hand voor de reis met de woorden: je moet dat niet teruggeven. Onderweg kregen we op de trein controle van de veldgendarmen. Daar vreesde ik voor. Vliegensvlug opende ik een deur van de wagon en liet me aan de buitenkant hangen tot de controle gepasseerd was. Gelukkig is er toen niets gebeurd, laat staan een aankomende trein! Ja, wat moet je niet doen om je vel te redden. Inventief zijn en durven, maar dat hadden we al geleerd. 

En dan kwam je thuis. Oostende werd net door de Engelsen gebombardeerd en Duitsers schoten met hun afweergeschut. Zo vlug ik kon, probeerde ik thuis te komen. Mijn schoonvader deed open en riep in paniek: Maar jongen toch, we gaan allemaal door de Duitsers gepakt worden. Stel je dat voor! Blij weerzien is anders. Ik heb me dan een tijdje in de kelder opgehouden. Niemand mocht weten dat ik daar was. Toen ik het niet meer uithield, riskeerde ik me. Het enige wat ik van papieren op zak had, was het briefje dat aan de keukendeur van het kamp had gehangen, waarop vermeld stond dat ik twee Duitsers gered had. Ik ging daarmee naar de Duitse commandatuur en verzon een verhaal dat ik de dag voordien aangekomen was, als roeier gaan varen ben maar dat mijn boot kantelde en zo al mijn papieren kwijt raakte. Ze slokten dat gewillig en ik ontving een bewijs dat ik me gemeld had. Daar onze burgemeester en ook onze huisdokter het niet zo voor de Duitsers hadden, werd ik met rust gelaten. Hiermee eindigde mijn krijgsgevangenschap. 

OPNIEUW IN MILITAIRE DIENST 

Enkele dagen later was ik door het toedoen van mijn schoonbroer ingeschreven bij de weerstand. Via allerlei contacten werd ik ter beschikking gesteld bij 'Moeder- en kinderwelzijn'. Deze nationale organisatie had tijdens de oorlogsjaren vooral tot doel stadskinderen onder te brengen bij boeren. Ik werd er provinciale secretaris van Oost-Vlaanderen. In die functie trok ik de hele provincie door op zoek naar opvangplaatsen. Zo belandde ik op het kasteel van graaf Rodrigues 't Kint De Rodenbeek te Bachte-Maria-Leerne. Samen met de graaf organiseerden we in zijn woning een tehuis waar we tal van kinderen konden onderbrengen. We hadden er zelfs Joodse kinderen gehuisvest en mijn intussen ondergedoken schoonbroer werd er kok. 

Intussen zocht ik een mogelijkheid om me naar Engeland te begeven en er te studeren voor gevechtspiloot. Het werd me afgeraden en dus bleef ik tijdelijk mijn job uitoefenen. Maar het leger trok me steeds meer aan. Begin 1945 vertrok ik naar Holland waar enkele Belgische officieren opnieuw een eerste bataljon fuseliers vormden. Enige tijd later werden we ingezet in gevechten aan de Moerdijk. We werden gekazerneerd in de kelders van het moederhuis. Het water stond er 10 cm hoog. We sliepen op britsen, comfortabel was het zeker niet. Na de capitulatie van de Duitsers in Holland zond men ons naar Ierland waar de Amerikanen om hulp vroegen. Heel wat jonge rekruten werden meegezonden en wij moesten hen daar tot een nieuw peloton opleiden. Ik kreeg er de graad van eerste sergeant.

In 1945 capituleerden ook de Japanners en Duitsland verloor opnieuw de oorlog. We verlieten Ierland en al over ons land belandden we in Aken waar we deelnamen aan de bezetting. Daar er toen heel wat verzetshaarden waren, werden wij zeer veel op patrouille gestuurd, vooral tijdens de nacht. Op zekere dag vernam ik dat men te Oostende de zeemacht heroprichtte. Ik diende mijn aanvraag in en kwam zo in september 1946 als 1ste meester bij de zeemacht aan. Er liep heel wat scheef. Veel jonge mannen die zich lieten inschrijven waren van verdacht allooi: bandieten, dieven, ontsnapte gevangenen. Daar de zeemacht zelf nog niet beschikte over eigen schepen, kregen zij er enkele in bruikleen van het Engels leger. Dat rare goedje had niets beter gevonden dan die schepen leeg te roven. 

Er moest dringend orde, tucht en discipline komen. Als bij toeval ontmoette ik commandant Defonseca, die ik al kende van het 3de linieregiment. Hij was eveneens overgegaan naar de zeemacht, maar nu als kolonel. Hij was verheugd mij terug te zien en vroeg me of ik de verantwoordelijkheid wou nemen om een groep als militaire politie op te leiden. Ik aanvaardde die delicate opdracht en een dertigtal zware mannen werden me toegewezen. Onder het motto van - een woord is een woord - is het stilaan gelukt hen discipline en gehoorzaamheid bij te brengen. De taak die hen te wachten stond was niet niks. Met die mannen ben ik vaak gaan roeien, kwestie van teamgeest te bevorderen. Enkele van hen zijn echte roeikampioenen geworden.

Op zekere dag, ergens in de jaren '50, werden bij de zeemacht moto's en camionetten gestolen en moest ik als hoofd van de MP daar onderzoek naar doen. Ik kwam erachter dat de transportafdeling van de zeemacht, die zich te Maldegem bevond, die had verkocht. Ik werd daar ontvangen door de luitenant die me verwees naar de commodore. Op mijn vraag naar de gestolen voertuigen antwoordde hij nors: Vanhoutte, wat ik van de Engelsen gekregen heb, daar doe ik mee wat ik wil. Hij bekende hiermee de verkoop. Maar om me te wreken, werd ik van Oostende gemuteerd naar Sint-Kruis. Daar werd ik de eerste adjudant van een nieuw opleidingscentrum voor de marine. Absoluut geen dankbare opdracht. Dat kamp had jaren terug gediend als een soort gevangenis voor anti-Duitsgezinde. Het was volledig en zwaar met prikkeldraad omheind. Als militair had ik te gehoorzamen maar stelde toch de eis om het prikkeldraad te mogen verwijderen. Met mijn mannen hebben we deze klus in heel korte tijd geklaard. Ik bleef er nog heel wat jaren. 

Toen ik reeds geruime tijd bij de zeemacht was, verscheen een verordening bij het landleger waarbij mijn heldendaad te Gullegem aanzien kon worden om de graad van onderluitenant te verwerven. Iets waar velen terecht en zelfs onterecht geprofiteerd van hebben. Ik viel echter uit de boot omdat ik niet meer bij het landleger in dienst was. Ik bleef dus adjudant. Na 36 jaar actieve dienst hield ik het leger voor bekeken. Ik was toen 54 jaar. 

ROEIEN, MIJN HOBBY 

Van jongs af was ik nauw met de zee en het water betrokken. Toen ik als vijftienjarige begon te werken in de scheepsbouw vond ik in de Oostendse roeiclub mijn ontspanning. Ik maakte er goeie vrienden en dank zij mijn atletische bouw werd ik snel ingeschreven om deel te nemen aan roeiwedstrijden. Na mijn militaire opleiding in '37-'38 startte ik met een roeiploeg van het leger. Net voor de mobilisatie van '39 hebben we tijdens de grote roeiwedstrijd 'Exposition d'Eau' te Luik het militair kampioenschap gewonnen. Voor België was dat de eerste maal dat een regiment zoiets had bereikt. Na de oorlog ben ik daarvoor blijven ijveren. Ik bewerkstelligde dat ik een roeiploeg van de zeemacht mocht vormen en trainen. Met deze navy-ploeg hebben we tal van successen behaald over de hele wereld. We werden herkend als een talentvolle en sterke ploeg. Ik ben er fier op dat ik dat heb kunnen realiseren in het bijzonder voor diegenen die zich daarvoor hebben ingezet. 

De resultaten die we keer op keer haalden, waren bij de Belgische sportfederatie niet ontgaan en men vroeg me de Belgische roeiers te trainen voor de Olympische Spelen van Rome in 1960. Een hele eer, weliswaar. Via John Kelly, de broer van Grace Kelly van Monaco, die ik had leren kennen op de kampioenschappen in 1947 te Amsterdam, kwam ik in contact met Avery Brunday, de toenmalige voorzitter van het Olympisch Comité. Hij kende zeer goed de Amerikaanse universitaire roeiploegen, maar vond het jammer dat men er geen degelijke trainers had. Hij stelde me voor om de roeiploeg van de Philadelphia College te trainen. Ook van Kongo, Spanje en Frankrijk kreeg ik een aanbod voor nationaal trainer. Ik paste telkens. Niet dat het me niet aansprak, integendeel, maar ik botste op verzet van mijn vrouw. Zij kon haar vader, aan wie ze heel veel te danken had, niet alleen achterlaten. Dat stuk van mijn leven heb ik in zekere zin opgeofferd. 

Na mijn roeicarrière bleef ik verder trainer en daarnaast startte ik een opleiding voor trainers. Als militair had ik vele malen les gegeven in discipline en teamgeest en dankzij een vriend trainer, die methodologie had gevolgd in Amerika, stelden we een cursus op voor de roeisport. Via BLOSO bezorgde ik hen een officieel diploma. Door die trainersopleidingen bloeide de roeisport algeheel in kwantiteit en kwaliteit. 

DE SCHEEPSWERF 

Door mijn interesse in de watersport, bevond ik me regelmatig op de werven waar roei- en zeilboten werden gebouwd en hersteld. Een vriend zocht een loods om zijn boot te stallen en vond een werf die niet meer actief was. Hij stelde me voor om daar samen een nieuwe werf te starten. Nu ik geen militair meer was, kwam me dat gunstig uit en begonnen wij er boten te onderhouden. We vaarden er wel bij en konden schoon onze boterham verdienen. Enkele jaren later vroeg hij mij de zaak over te nemen. Ik had wel handen aan mijn lijf maar niet de financiële mogelijkheden en ging om raad bij iemand van de roeiclub. Die man had het geld en was bereid om samen de werf te kopen en verder uit te baten. Maar dat viel in slechte aarde bij de vrouw van mijn eerste compagnon. Wij hadden het niet voor elkaar en ze wilde aldus de werf niet verkopen. We zochten een nieuwe loods en vonden die in een ongebruikt deel van het Franse dochterbedrijf 'Wagon-Lits' die slaaptreinen onderhield en renoveerde. 

De directeur, die een Frans sprekende Brusselaar was, had van mij iets vernomen waarvoor hij veel respect toonde. Er was hem verteld dat ik tijdens mijn krijgsgevangenschap eens de zijde van de Walen gekozen had. Op een dag werd in het kamp appel gehouden. De Vlamingen moesten links en de Walen rechts met als doel dat de Vlamingen huiswaarts mochten. Ik had bij de Walen vrienden roeiers en daarbij vond ik dat onrechtvaardig. Ik dacht: zij niet, ik niet. De Vlamingen vertrokken maar stonden na veertien dagen terug. In plaats van naar huis te mogen, werden ze als ordonnans aangeduid in een officierenkamp. Maar dat pikten onze Vlamingen niet en dus terug naar af. Om die stoutmoedige keuze was de directeur me gunstig gezind en kon ik de loods huren. Op die werf stond een oude vervallen schoorsteen en bij stormweer durfde niemand het binnenplein op, vanwege vallende stenen. Verschillende aannemers zagen de herstelling als te riskant en bedankten. Ik beloofde dat persoonlijk te doen en met behulp van de Oostendse brandweer lukte het gevaarlijke werkje. Als beloning konden we de loods zes maanden gratis gebruiken. We noemden de scheepswerf 'Slijkens' afkomstig van de wijk tussen Oostende en Bredene waar mijn compagnon en ikzelf geboren waren. De onderlinge verstandhouding met Wagons Lits was perfect. We riepen dikwijls elkaars hulp in. Toen Wagons Lits steeds meer werk kreeg, wensten ze de loods terug in gebruik te nemen. Na onderhandelingen met de Oostendse burgemeester Julien Goekint en na betaling van een mooie vergoeding vertrokken we naar een vrijgekomen bouw-materialenbedrijf langs het kanaal. Ik kocht er eerst de gebouwen en later de grond. Dit werd mijn derde werf. We schaften een kraan aan waarmee we jachten konden lichten. Met drie werknemers runden we het bedrijf naar behoren. Eind de jaren tachtig kreeg ik hartkwalen en na een operatie besloot ik alles te verkopen. 

 

NABESCHOUWING 

Mijn drie kinderen waren al een hele tijd het huis uit en samen met mijn vrouw vonden we onze stek te Bredene niet toevallig in de Zegelaan. Nu vond ik de tijd om me te verdiepen in literatuur over WO ll. Vooral de figuur van commandant Claser blijft me steeds bijzonder intrigeren. Hij was een voorbeeld voor alle bevelhebbers. Eenmaal het gevecht van man tegenover man ging, hielden velen van zijn graad zich op het achterplan. Hij niet, hij vocht mee. Met hem heb ik kwaaie momenten meegemaakt op Gullegem. Die strijdvaardige man gaf me een zodanige moed en doorzetting en dat heeft ongetwijfeld een grote rol gespeeld in mijn leven. Daarnaast geniet ik van de Oostendse roeiclub waar ik als roeier, later als trainer en thans als erevoorzitter, nog steeds hartelijk welkom ben. Vele opgeslagen beelden en zichten probeer ik met penseel op doek neer te zetten. Maar als ik op mijn leven terug blik, dan blijft er iets op mijn maag liggen waar ik nu niks meer kan aan doen. Het betreft mijn vader. De hele Eerste Wereldoorlog heeft hij op zee gevaren in dienst van het leger. Vele gevaren en risico's moeten doorstaan, heeft er een zware ziekte aan opgelopen en is veel te vroeg gestorven, maar nooit heeft hij en zijn makkers er enige erkentelijkheid voor gekregen. Dat gemis aan respect blijft me moeilijk en stelt me teleur. Daar tegenover staat mijn rechtdoor karakter waarmee ik veel heb kunnen en mogen realiseren. Ik ben er dankbaar voor. Maar dit wil ik zeker aanhalen: Gullegem is voor mij, op die zeer jonge leeftijd van 20-21 jaar met de dood geconfronteerd in onmenselijk omstandigheden, zo cruciaal, zo ingrijpend geweest in mijn ganse leven. Gullegem is zo van mij geworden, het blijft voor altijd aan me kleven 

 

Foto: De Navy ploeg tijdens oefening, met Stan als eerste roeier. (archiefS. Vanhoutte) 

Lutgarde Wynants

Object: medaille met groen-geel lint, Medaille van de Militair, Strijder van de Oorlog 1940-1945

Mijn vader heet Joseph Wynants. Hij kwam van een arm gezin met negen kinderen, een boerengezin waarin er drie kinderen stierven voor ze volwassen waren. Mijn vader is geboren in mei 1912 en ging in 1932 in het leger, toen hij twintig was. Hij was deel van het 15de Linieregiment en werd een paar keer opgeroepen tussen 1932 en 1938, en mocht in die periode telkens na een korte opdracht weer naar huis. In augustus 1939 werd hij weer opgeroepen, en was de zaak anders, omdat het Duitse leger België binnenviel in mei 1940.
Op 27 mei 1940 werd hij gevangen genomen te Lokeren en werd hij krijgsgevangene. Het Duitse leger had zijn regiment omsingeld met als gevol dat ze dagen geen eten en drinken hadden. Omdat de soldaten zo verhongerd waren hebben ze zich gewillig overgegeven in ruil voor voedsel. Ze gingen akkoord om de trein naar Duitsland op te stappen in ruil voor een stuk vlees. De trein was een trein voor vee, en de mannen lagen er allemaal als sardientjes in een blikje op elkaar geduwd. Als ze te veel bewogen dan kwam het stof dat op de bodem lag naar boven, waardoor ze nog weinig lucht kregen. Daarom was de treinreis erg gevaarlijk.

In Duitsland kwam hij terecht in de Stalag XII A, ten zuid-westen van Berlijn. Na een korte tijd gevangenschap in dit gevangenenkamp werd hij naar een boerderij gestuurd, samen met een aantal andere krijgsgevangenen. Op de boerderij stal hij af en toe melk om niet te verhongeren. Hij verzamelde ook kleine hoeveelheden zout, dat hij op zijn tong liet smelten als zijn bloeddruk naar beneden ging, want hij was erg verzwakt en erg vermagerd. Na 9 maanden mocht hij terug naar België, omdat Hitler een verdrag tekende waarin hij toeliet dat de Vlaamse krijgsgevangen naar huis mochten, met het oog op de inlijving van Vlaanderen in zijn Derde Rijk.

Toen hij terug thuiskwam woog hij nog slechts 46 kilo, terwijl hij 180 cm groot was. Toen de oorlog voorbij was kreeg hij een medaille voor zijn verdiensten als krijgsgevangene. Mijn vader werd landbouwer, kreeg 4 kinderen en stierf op 97-jarige leeftijd. Op latere leeftijd schreef hij naar de militaire administratie om nog een extra medaille aan te vragen waar hij recht op had. Jammer genoeg begreep niemand van de familie de brief die terugkwam correct, dat hij recht had op de medailles, maar dat ze moesten besteld worden. Hierdoor leek het voor hem dat de regering hem de medaille niet wilde geven, iets dat hem erg boos stemde. Ik heb dan een medaille gekocht in een tweedehandswinkel en die aan hem gegeven. Deze oneigenlijke medaille heeft in zijn kamer in het rusthuis gehangen tot aan zijn dood. Het is ook deze substituut-medaille die ik schonk aan het project van Michael Rakowitz.