Adrián Villar Rojas: Birdwatching in het Antropoceen (door Barbara De Coninck)

Datum

18 juni 2021

Essay

The real matter with which I work is human.

- Adrián Villar Rojas

I.

In het kader van de projecten in de publieke ruimte van Beaufort 21 en i.s.m. Brugge Triënnale hangen in Zeebrugge ‘bad-stad-voor-en-achterhaven’ en verspreid over de Brugse binnenstad een tachtigtal zuid-amerikaanse vogelnesten, kleine ‘sculpturen’ van de Argentijnse kunstenaar Adrián Villar Rojas (°Rosario, 1980).

Het is indrukwekkend onopvallend werk dat uitwaaiert over een gebied van minstens twintig km2, desalniettemin à l’instant aantrekkelijk omwille van zijn volmaakte helderheid, eenvoud en tactiliteit. Brick Farm (2012-ungoing), zo heet het werk, is discreet en stil.

In werkelijkheid puilt de installatie uit van betekenis. De ingreep van de Argentijn is totaal verfijnd - Brick Farm is veel meer dan een poëtisch werk alleen. De productie van een romantisch beeld is niet de inzet van de kunstenaar. Adrián Villar Rojas ontwikkelt in zijn beelden een visie over hoe kunst eruit kan zien in een wereld in meltdown. Bovendien vraagt hij zich af hoe Aarde eruit zou zien zonder menselijke aanwezigheid. De zuid-amerikaanse kunstenaar presenteert zijn elementen as if they were entire worlds. Het is geen toeval dat de Argentijn op Documenta 13 stond:

“dOCUMENTA (13) is dedicated to artistic research and forms of imagination that explore commitment, matter, things, embodiement, and active living in connection with, yet not subordinated to, theory[2].”

II.

Adrián Villar Rojas – wiens carrière vanaf 2003 als een komeet de hemel inschiet[3], werkt in 2008 een eerste keer met klei voor zijn installatie What Fire Has Brought Me (2008) bij de Galeria Ruth Benzacar in Buenos Aires. Het is een beleving die hij in bijna mystieke bewoordingen vergelijkt met het avontuur van een intiem dagboek. Klei geeft hem de mogelijkheid om fossielen te creëren. Klei laat hem toe te werken met Tijd[4].

Vanaf nu wijdt Rojas zich exclusief aan één discipline, sculptuur, en (voor een lange tijd) één materiaal, klei. In het Patagonische Yatana Forest aan de zuidkust van Vuurland realiseert hij in 2009 zijn eerste monumentale kleisculptuur, Mi Familia muerta / My Dead Family (2009), een 27 meter lange walvis, aangespoeld op de End of the World Biennale van de meest zuidelijk gelegen stad ter wereld, Ushuaia[5].

Na talloze omzwervingen langs o.a. dOCUMENTA (13) en Shanghai Biennale trekt Adrián Villar Rojas zich in 2012 samen met zijn team terug in Rosario, zijn geboorteplek. Ver weg van de hype en glamour van internationale tentoonstellingen, ent hij er zijn praktijk op zijn natuurlijke habitat, schudt hij de chronische produktiedruk van zich af en laaft hij zich aan experiment en filosofie – to undo en to restore.

Op de site van een honderd jaar oude intacte baksteenfabriek die - zoals de rurale traditie het voorschrijft - in open lucht opereert zonder machinerie of elektriciteit[6], zet hij een work station op, een onderzoekslaboratorium – eigenlijk een collectief camp, een farm en een factory. Het is een zondoorstoofd universum van velden bezaaid met grote aantallen handgebakken bakstenen - met werkmannen, modder aanroerende paarden, slijk en gras, klei en stro.

Rojas en zijn team wonen en werken er naast de arbeiders die het klei-en-stro impasto maken, de paarden door de blubber jagen, de bakstenen mouleren en de traditionele klei-ovens bedienen[7]. De kunstenaar, geïnteresseerd in ambacht en processen van synergie, wil leren van deze bonte gemeenschap, microcosmos en ecosysteem. Met zijn manipulaties van organische materialen – germinatie, gecontroleerde compostering, cultuurkweek en breeding, bedrijft hij een soort parallelle agricultuur. Hij woelt in natuurlijke processen. Hij speelt met concepten als groei, tijd, verval. Het project Brick Farm in Rosario zal aanleiding geven tot de toonaangevende tentoonstelling Today We Reboot the Planet in de Serpentine Sackler Gallery in Londen in 2013. Het is ook de oorsprong van het project met de vogelnesten, Brick Farm (2012-ungoing), dat nu landt op Brugge Triënnale en Beaufort 21 aan zee.

Het is Rojas en zijn medewerkers opgevallen dat op het terrein van de baksteenfabriek de hornero-vogel – in het Nederlands: ovenvogel[8] - talrijk broedt, een kleine zangvogel die zich ondanks zijn onopvallend uiterlijk tot nationaal embleem van Argentinië heeft opgewerkt. Sensationeel bij deze bewoner van de pampas is namelijk het nest: bruin, bolvormig, massief, met dikke wanden vervaardigd uit modder en stro, qua vorm, materiaal en koloriet sterk verwant aan de klei-oven waarin traditioneel de rurale Argentijnse bevolking zijn broden bakt.

Een dergelijke synergie tussen mens en natuur, waarbij mens en dier identieke vormen en materialen gebruiken voor uiteenlopende doeleinden, fascineert Rojas. Voor hem zijn de nesten van de ovenvogel niets minder dan ‘nationale architectuur’. Daarbij is de hornero ook nog een synanthropische[9] soort – opnieuw een vorm van synergie tussen mens en dier. Ook dat gegeven boeit Rojas mateloos.

Het team van Rojas begint verlaten hornero-nesten te verzamelen en waar nodig te restaureren. Het gebruikt daarvoor menselijk speeksel als lijm. Ter versteviging worden de nesten afgebakken bij de baksteenfabriek. Sindsdien zwermen de ‘sculptuur’ geworden vogelnesten uit over de aarde om ge(her)installeerd te worden in agrarische of stedelijke omgevingen, van Yangji-ri - een dorp in de gedemilitariseerde zone op de grens tussen Noord- en Zuid-Korea, tot Riga, Stockholm, New York, Havana en zelfs tot Kalba in het emiraat Sharjah: (AVR) ‘Just as this synanthropic species does in Argentina, taking advantage of the architecture and human infrastructures (windowsills, streetlights, sleds, eaves of houses) to settle, and thus initiating a dialogue between this South American agent and other points of the Capitalocene[10].” Altijd na afloop van de tentoonstelling blijven de nesten hangen[11]:

III.

Sinds 2012 sleept Adrián Villar Rojas de Argentijnse nesten van de ovenvogel de wereld rond. Is het algemeen beschouwd een hommage aan zijn thuisland waar de hornero Argentinië viert als nationaal symbool? Is het een poëtische actie? Een loflied op verstrengeling van mens en natuur? Exporteert de spreekwoordelijke peripathetische kunstenaar met Brick Farm symbolisch zijn eigen nest - zijn studio, en daarmee de ziel van zijn kunstenaarschap?

De jarenlange ’uitvoer’ van Argentijnse vogelnesten voelt aan als een absurde, zelfs perverse dislocatie. Rojas’ project zou dus heel goed een kritische artistieke geste kunnen zijn, een mise en abîme van de wereldwijde transport-economie die uitblinkt in de meest onwaarschijnlijke bewegingen en in groteske ecologische onverantwoordelijkheid. Het feit dat het sculpturaal object in realiteit een vogelnest is, 100% organisch, en zijn auteur in eerste instantie een vogel, maakt de onderneming tot een daad van raw matter export. En laat nu net de export van maïs, suiker, vlees en graan de economische hoofdactiviteit van Argentinië zijn.

We zouden de onbewoonde nesten van Brick Farm ook kunnen lezen door de bril van de recente Argentijnse politieke geschiedenis, als een aanklacht tegen de schandelijke militaire dictatuur die tussen 1976 en 1983 maar liefst 30.000 burgers uit hun huizen joeg en spoorloos deed verdwijnen.

De hornero-nesten die Rojas beschouwt als ‘nationale architecturen’ en die hij uitdrukkelijk associeert met de bedreigde levensruimte van traditionele rurale gemeenschappen (cfr. de eerder genoemde bakovens), betekenen misschien ook artistieke melancholie. Brick Farm is dan een aanklacht tegen de landverslindende, intensieve agro-economie waarmee Argentinië geopolitiek een plek wist te veroveren binnen de cercle resserré van geïndustrialiseerde landen.

Brick Farm verbeeldt uiteraard ook onze getroubleerde verhouding tot de natuur. Ondanks hun prachtige sculpturale vorm heeft de aanblik van de vogelnesten iets wezenloos: nergens is een ovenvogel te zien. De objecten, door hun oorspronkelijke bewoners verlaten, zijn hol, uitgehaald, geografisch verdwaald, plomp verloren. Ze hechten zich in Brugge en Zeebrugge zo levenloos, anoniem, wijd verspreid, desolaat en stil aan (vuur-)torens, strandcabines, dijkhuizen, boten, garageboxen, zendmasten, lichtarmaturen, sporthallen en politiekantoren, crèches, archieven (kerken, theaters, cinema’s, musea), dakgoten, regenpijpen, vensterbanken en bomen dat ze van een verdwenen beschaving spreken en van een fantasy biotoop. Ze verbeelden een surreëel ecosysteem en een onbestemde tijd – een onduidelijk verleden, een ingebeelde toekomst. Het is een ScienceFiction-achtig tafereel.

En toch zal ook hier en nu nieuw leven ontstaan. In de loop van de volgende maanden zullen de hornero-nesten nieuwe bacteriologische en schimmelculturen bedienen – en wie weet een hommel, een solitaire bij, een nachtvlinder, een zwarte roodstaart, een gierzwaluw, een huismus misschien. Ach die arme verdrietigmakende huismus, eens zo talrijk als de ovenvogel, nu bijgezet in de afdeling ‘kwetsbaar’ op de IUCN Rode Lijst van de broedvogels in Vlaanderen – sinds 2016.

Nieuw leven? In ieder geval streek in Brugge al meteen na inrichting van de installatie een kauw - dat fraaie, pientere, kleine kraaitje met zijn machtig vogelbrein, op het klei-oventje neer om het bouwsel te inspecteren. N’est-ce pas la curiosité qui nous retient à la vie?[12]

Ondanks het lieve kauwtje dat op zijn heel eigen manier ook deelneemt aan Beaufort 21 en de tentoonstelling TraumA (!) van Brugge Triënnale, heeft Brick Farm in volle klimaatcrisis en Zesde Extinctie van de weeromstuit iets angstaanjagends. De installatie is very much in (y)our face. Met hun gapende ronde invlieg-gaten worden de hornero-nesten signalen, stoplichten misschien. Springen ze van groen over oranje naar rood? Het is de dood die ons aangaapt. De nesten zijn ook vanitas-sculpturen.

Alvorens ze in de historische en nieuwe haven van West-Vlaanderen barsten gaan vertonen, om daarna langzaam te desintegreren en te versterven, krijgen de hornero-nesten in situ een tweede leven. Even nog stralen ze van schoonheid hoog boven de grond – bv. aan de Potterierei, de Pottemakersstraat, de Spanjaardstraat, de vogelkijkwand bij de Fonteintjes, de sculptuur voor Beaufort 2006 De man die de boot zag in de lucht (2006) van Jean Bilquin. Adrián Villar Rojas bezit ook humor. Uiteindelijk zullen zijn ‘sculpturen’ opstijgen, hors-sol, als stof in de wind, om te worden opgenomen in het geheugen van de stad.

IV.

Met de finale opoffering van Brick Farm geeft Adrián Villar Rojas het auteurschap van zijn ‘sculptuur’ terug aan de natuur. Hij draait daarme Duchamps idee van de ready made sculpture om. Waar de Franse kunstenaar voor zijn urinoir Fountain (1917) via zijn signatuur – agressief en triomfantelijk - het statuut van kunstwerk afdwong, gunt Rojas een niet-menselijk dier (minstens) het co-auteurschap. Verder maakt Rojas’ minimale editing – met verbindende handelingen als nest-restauratie, verlijming en versteviging - intrinsiek deel uit van de affectieve betekenis van het artefact. Ten slotte is bij hem het museum uitdrukkelijk  niet de horizon van zijn kunstpraktijk: het museum van Adrián Villar Rojas is de natuur.

Deze natuur wordt niet begrepen als een uitwendige factor, als iets ‘buiten ons’ / ‘los van ons’. Integendeel: het zijn wij die ons dringend moeten “losmaken van de fetishistische, schizofrene en psychotische relatie met het (externe) ‘natuur’-concept dat we (helaas) hebben gecreëerd”[13]. Het organische en bio-dynamische klei-oventje – puur aarde / klei / stro / gras, de ovenvogel, het future fossile: dat zijn wij.

Hoe we Brick Farm ook interpreteren, behalve elegisch of politiek is het werk zonder meer teder en liefdevol. Het maant aan tot bezinning, voorzichtigheid, respect en zorg voor non-human agency. Het speelt ons de vraag toe waar we willen landen (B. Latour). Met Brick Farm stuurt Adrián Villar Rojas de natuur terug naar afzender, niet om ons een ‘ding’ voor te stellen maar om ons in ‘dingen’ te duwen, te stoten: to create volume that creates space that creates time[14]”.

To spit in the face of Nature is Humanity’s final artistic rebellious gesture. The ‘enfant terrible’ wins again and for the last time[15].

Barbara De Coninck, Antwerpen, 14.05.2021

 

[1] Hans Ulrich Obrist, Carolyn Christov-Bakargiev, Eungie Joo, Adrián Villar Rojas, New York, Phaidon, 2020, p. 12

[2] Carolyn Christov-Bakargiev, in: Eva Scharrer, Ayreen Anastas e.a., Documenta 13. Das Begleitbuch Katalog 3/3, Hatje Cantz, 2012, p. 2

[3] Zie www.mariangoodman.com / In de Benelux was Adrián Villar Rojas de afgelopen jaren te gast in Oudenburg (The Work of the Ocean, Foundation de 11 Lijnen, 2013), Brussel (Song during the War, Mondialité, Fondation Boghossian Villa Empain, 2017), Drenthe (Into Nature Art Expedition, 2018) en Amsterdam (Poems for Earthlings, De Oude Kerk, 2020).

[4] Poems for Earthlings. An interview with Adrián Villar Rojas by Hans Ulrich Obrist, Paris, 2011, p. 5:

(AVR) « Clay enabled me to build fossils : I could fossilize whatever I wanted, and thus I could work with time. I could fictionalize the passing of time by representing its effects on matter, and see how we humans read or react before this fact.”

[5] Eungie Joo e.a., The Ungovernables. 2012 New Museum Triennial, Skira Rizzoli Publications, NY, 2012, p. 227: (AVR) « It was there where I realized I could build my own ruins.”

[6] Hans Ulrich Obrist, Carolyn Christov-Bakargiev, Eungie Joo, Adrián Villar Rojas, New York, Phaidon, 2020, pp. 104-107 

[7] Ibidem, p. 37

[8] Spaans: horno, oven. Furnarius is een Zuid-Amerikaans geslacht van zangvogels uit de familie ovenvogels (Furnariidae). Het bestaat uit acht soorten.

[9] Synanthropie verwijst naar het vermogen van bepaalde in het wild levende planten en dieren om stedelijke of door menselijke activiteit beïnvloede ecosystemen te bewonen, door zich aan te passen aan de omgevings-omstandigheden gecreëerd of gewijzigd door menselijke activiteit.

[10] Hans Ulrich Obrist in conversation with Adrián Villar Rojas, in: op. cit., Phaidon, 2020, p. 16

[11] (AVR) “There’s no way to repeat what I do – almost ninety percent of it is unrecoverable”, in:

op. cit., Phaidon, 2020, p. 21

[12] Marie-Claire Blais, Un sourd dans la ville

[13] Thomas D. Trummer, The Theater of Disappearance: Adrián Villar Rojas, Kunsthaus Bregenz, Bregenz, 2018, p. 151: (AVR) “There is no nature detached from us. We have a fetishist, reifying, schizoid-psychotic relationship with this concept we have created.”

[14] Thomas D. Trummer, ibidem, p. 148

[15] Adrián Villar Rojas, Songs During The War (detail, 2010), poster, website, soundscape. Distributed during Villar Rojas’ performance in Map Marathon 2010 at The Serpentine Gallery, London, 16-17 October 2010. In: op.cit., Phaidon, 2020, p. 15

Deze tekst van Barbara De Coninck werd gepubliceerd in HART Magazine, Nr. 214 op 30 mei 2021.